
Schattenjacht Sterrenduister
Je doet de deur open en kijkt een knusse kamer binnen. Bijzettafels, ligbanken en kussens vullen de ruimte. Grote ramen bieden een blik op de tuin. Gordijnen hangen half voor het uitzicht, en het laatste licht van de dag schijnt door de stof om de ruimte te laten baden in een gouden gloed.
Een hond met een crèmewitte vacht ligt opgekruld in zijn mand voor het middelste raam. Het beest slaapt met zijn lange snuit op zijn eveneens lange poten.
Buiten loopt een man met een tuinschep in zijn hand. Hij is van middelbare leeftijd, net zo oud als de professor. Dit moet haar echtgenoot wel zijn. Hij oogt fit, tot je zijn kapsel ziet. Blauwe plukken ontsieren zijn anders zwarte haar. Je keel knijpt zich dicht. Die vent is verslaafd aan mir! En niet zo'n klein beetje ook, gezien de felle tint van die blauwe lokken. Je hebt de man nog nooit eerder gezien, maar je krijgt spontaan medelijden met hem.
Mir is een geschenk en een vloek te gelijk. De vloeistof kan een mens onder de meest verschrikkelijke omstandigheden in leven houden — maar het kan opgelopen wonden niet helen. Zelfs de pijn verdoven is niet altijd mogelijk. Zwaar verslavend is het spul wel. En je krijgt er blauw haar van, natuurlijk. Daar moet je ook maar net van houden.
Er gaan geruchten rond onder studenten dat de man van professor Nagas niet goed uit de oorlog tussen Alnustan en Gubarstan was gekomen. Maar dat het zó slecht was, had je nooit vermoed. Wat is er met hem gebeurd? Hoe erg is zijn verslaving? Je durft het niet te vragen. Sterker nog, je durft hier niet langer meer te zijn. Het is immers niet de ruimte die Latif je had gewezen. Voordat Haider je ziet — en die hond wakker wordt — verlaat je de woonkamer en doe je de deur dicht.






